Maak kennis met Marianne van den Bosch

‘Maak kennis met’ is een interviewserie met leden van Recht voor Klimaat, onder meer over hun persoonlijke drijfveren. Marianne van den Bosch is directeur bij Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en medeoprichter en bestuurslid van Recht voor Klimaat. In dit interview gaat Marianne onder andere in op hoe zij het animo voor klimaatgerelateerde juridische onderwerpen onder juristen heeft zien veranderen.




Welke ervaringen binnen het mensenrechtenveld hebben jou het meest gevormd, zowel professioneel als persoonlijk?

Als derdejaarsstudent rechten aan de Radboud Universiteit in Nijmegen ging ik in het kader van het Erasmus uitwisselingsprogramma voor een jaar naar de University of Essex in Engeland. Ik volgde daar common law vakken en International Environmental Law. In dat laatste vak werd de juridische positie van inheemse volken behandeld, en hun relatie tot de natuur. Hier kwam voor mij alles samen: mensenrechten, internationaal recht, staatsrecht en mijn liefde voor de natuur, die van kinds af aan diep zit (als achtjarige organiseerde ik al een actie op school tegen de zeehondenjacht).

Na mijn afstuderen in Nijmegen – mijn scriptie handelde over de positie van inheemse volken in het licht van de staatssoevereiniteit – keerde ik terug naar Essex, om het LL.M.-programma International Human Rights Law te volgen. De 25 deelnemers aan dit programma kwamen uit 18 verschillende landen en uit vijf continenten. Je kunt je voorstellen: een waanzinnige ervaring, zowel inhoudelijk als sociaal.

Wat mij na het afstuderen het meeste heeft gevormd, als mens en als jurist, is mijn werk bij Artsen Zonder Grenzen.  Naast het verlenen van medische noodhulp aan mensen in oorlogssituaties, epidemieën en natuurrampen en in andere situaties waarin de mensenrechten in het geding zijn, kent AZG onder de term ‘advocacy’ een tweede doelstelling: het optekenen van en rapporteren over de mensenrechtensituatie die zij aantreffen in de landen waar zij hun humanitaire hulp verlenen. Zowel in Amsterdam als het voormalige Joegoslavië hielp ik mee om deze advocacy vorm te geven. Ik analyseerde het internationale recht dat van toepassing was (toegang tot medische zorg, repatriëring, nationaliteitsrechten), adviseerde over de wijze waarop het toepasselijke recht naar de lokale situatie kon worden vertaald, schreef landenrapportages en was de liaison met andere organisaties ter plaatse, zoals de VN, het Rode Kruis en de EU. Een leerzame, mooie en onvergetelijke tijd. 

Tot januari 2026 werkte je als directeur van het Centrum voor Postacademisch Juridisch Onderwijs (CPO) van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Heb je de animo voor klimaatgerelateerde juridische onderwerpen onder juristen zien veranderen door de jaren heen? Zo ja, hoe?

Zeker, en zoals alles gaan dergelijke veranderingen in golfbewegingen. In het eerste coronajaar, 2020, startte ik met een aantal gedreven collega’s bij het CPO het programma Klimaat en recht. Het was in die tijd, relatief gezien toch nog maar kortgeleden, echt pionieren om het geldende recht op zo’n manier aan de praktijk te presenteren dat het als instrument voor het beteugelen van de klimaatcrisis zijn werk kon doen. Er was het Klimaatakkoord van Parijs en de inkt van het Urgenda-arrest en de Europese Green Deal, beide 2019, was nog nat. Als ik aan die tijd terugdenk, dan voel ik opnieuw de sfeer van optimisme over de kansen die zich maatschappelijk en juridisch aandienden om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Dat optimisme wilden we als CPO een stevige hand in de rug geven, door onze achterban, de juridische praktijk, te doordringen van de mogelijkheid om in élke praktijk en in élk rechtsgebied te werken aan duurzaamheid. Een ijzersterke programmacommissie met een klimaatwetenschapper en juristen van diverse pluimage hielpen mee met de programmering. Denk allereerst aan juridisch technische onderwerpen zoals klimaatrisico’s en aansprakelijkheden, corporate governance in het licht van duurzaamheidsverplichtingen voor een onderneming, energierecht, milieurecht, duurzaam financieren, de rol van De Nederlandsche Bank als centrale bank en prudentieel toezichthouder bij de green recovery, duurzaam mededingingsrecht, juridische aspecten van de circulaire economie, duurzaam inkopen en de juridische consequenties van emissiehandelssystemen. Of aan de relevante soft laws; de OESO-richtlijnen en de UN Guiding principles, om maar twee belangrijke bronnen te noemen. We besteedden ook veel aandacht aan de vraag naar de rol van de jurist, intern in zijn eigen organisatie of ten opzichte van zijn cliënt. Heb je pro-actief over duurzaamheid te adviseren, als trusted advisor? En zo ja, hoe pak je zoiets dan aan? Welke taal ontwikkel je daarin, welke gespreksvaardigheden pas je toe en hoe ga je om met de ethische dilemma’s die zich daarbij onherroepelijk zullen aandienen? Interessante vraagstukken die inmiddels door veel specifiekere juridische normen worden ingekleurd dan destijds het geval was. Met de Omnibusregelgeving van de EU zie je de pendule nu weer de verkeerde kant op gaan. Dat is zorgelijk en ook daarop moeten juristen in de praktijk, als je het mij vraagt, kritisch reflecteren. Wat is, onder het grimmige gesternte van het huidige politieke klimaat, jouw eigen verantwoordelijkheid als partijdige, maar ook onafhankelijke, deskundige en integer handelende professional?

Wat was voor jou de aanleiding om je als bestuurslid van Recht voor Klimaat in te zetten voor het klimaat?

Een kopje koffie met Danny Hoekzema, initiatiefnemer en voorzitter van Recht voor Klimaat. Ik had zijn uitnodiging op LinkedIn gezien om je te melden als je wilde meedoen aan een beweging van groene juristen, en had hem meteen een bericht gestuurd. De klik bij die koffie in Amsterdam was groot en Danny vroeg me na het tweede kopje of ik voelde voor een plek in het oprichtingsbestuur. Daar heb ik niet lang over hoeven nadenken, zeker toen bleek dat ik de algemene activiteiten van Recht voor Klimaat onder mijn hoede zou kunnen nemen. Mijn netwerk en ervaring met de organisatie van kleine en grote evenementen kwamen goed van pas en ik kan mijn ei kwijt in de ambities en doelstellingen die we ons als Recht voor Klimaat hebben gesteld. Samen zetten we daarin steeds opnieuw onze tanden en dat levert voor de jonge club die we zijn al heel mooie dingen op, zoals recentelijk het derde jaarcongres met bijna 200 bezoekers. Er waren spraakmakende bijdragen van Bénédicte Ficq, Peter Kuipers Munnike en Jelmer Mommers en break-out sessies met thema’s als de horizontale werking van grondrechten in civiele procedures, klimaatstrategieën voor ondernemingen, de Bonaire-klimaatzaak, duurzame gebiedsontwikkeling, klimaatpsychologie en gedragsverandering, de gevolgen van Omnibus I voor klimaatverplichtingen van ondernemingen en de rol van het recht in systeemveranderingen naar een duurzame economie. Het debat werd vurig gevoerd en op zo’n moment ben ik er trots op dat we met Recht voor Klimaat deze gedachtenvorming en discussies voor een groenere juridische praktijk kunnen programmeren en met gelijkgestemden inspiratie, informatie en inzichten kunnen delen en bespreken. Ik ben ontzettend blij met de samenwerking in ons bestuur en met mijn commissiegenoten, stuk voor stuk bevlogen en fijne mensen met wie het goed samenwerken is.    

Wat denk je dat er nog mist in de huidige juridische opleidingen (academisch of postacademisch) als het gaat om klimaatrecht en duurzame juridische praktijken? Waar zie je de kansen?

Ik zou het toejuichen als jonge juristen vaker dan nu – denk ik – het geval is, leren zich de vraag te stellen: ‘Is it legal, or is it right?’ In korte tijd is drastische energie van alle professionals nodig, dus ook van juristen, om creatieve, gewaagde en effectieve instrumenten te bedenken om de klimaatcrisis te beteugelen en de andere planetaire grenzen te bewaken en de overschrijding ervan een halt toe te roepen. Dat betekent dus ook dat juristen er in de komende decennia blijk van moeten geven om in staat te zijn om andere dingen te bedenken dan de klassieke route van straffen en belonen. De uitdaging is daarbij om, ondanks de enorme tijddruk, toch kwaliteit te blijven leveren. Op een achternamiddag in elkaar gerommelde wetgeving heeft het risico niet dat te bereiken waarvoor het bedoeld is; daarop gebaseerde constructies lopen het risico niet het gewenste effect te hebben en wel ongewenste neveneffecten. Tegelijkertijd mag dit besef er niet aan in de weg staan dat juristen creatief blijven en actief bijdragen aan de vereiste rechtsontwikkeling.

Ik denk dat er een stevige rol is weggelegd voor universiteiten, voor instituten voor post-academisch onderwijs en voor de verschillende beroepsopleidingen om het debat hierover te faciliteren, om die creativiteit aan te wakkeren, om buiten de gebaande paden te treden en om kritische vragen te blijven stellen over ontwikkelingen die anderen aan je proberen te presenteren als ‘onontkoombaar’. Zo verbaas ik me in hoge mate over het gebrek aan kritische vragen over het energie- en watergebruik dat gepaard gaat met het gebruik van AI. Als je daarover begint, geven sommigen je het gevoel dat je ouderwets bent en een niet te stoppen ontwikkeling op oneigenlijke gronden wilt tegenhouden. Dat vind ik onbegrijpelijk. Laten we dat soort vragen juist wél blijven stellen en daarover wél het debat voeren. Niets ‘overkomt’ ons; we zijn er als maatschappelijk zelf bij en kunnen zaken beïnvloeden, hoezeer anderen (vaak vanuit eigenbelang) je ook van het tegendeel proberen te overtuigen. 

Hoe zie jij de rol van Recht voor Klimaat en de bredere juridische gemeenschap over 5-10 jaar in de context van de klimaattransitie?

Als bestuur van Recht voor Klimaat willen we dat het over vijf jaar vanzelfsprekend is dat klimaat- en natuurbelangen een rol spelen in alle juridische handelingen. Dat juristen in alle sectoren beschikken over kennis, instrumenten en een professioneel netwerk om hun vak uit te oefenen in lijn met de planetaire grenzen. Dat klimaatrecht niet langer een apart vakgebied is, maar een integraal perspectief binnen de rechtspraktijk. En dat Recht voor Klimaat een stevige, breed gedragen juridische infrastructuur biedt om die ontwikkeling te ondersteunen.

Neem eens een kijkje in onze Meerjarenstrategie. Daarin formuleren we een eigen ‘theory of change’ en formuleren we onze doelstellingen voor de komende jaren.

Inmiddels ben je begonnen als directeur van het bureau en algemeen secretaris van het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Hoe neem je daarin jouw passie voor recht en klimaat mee?

Ik heb twee grote zorgen in het leven. De teloorgang van onze natuur ten gevolge van de klimaatverandering, de vervuiling van onze oceanen, de chemische vervuiling en het verlies van biodiversiteit houdt mij letterlijk uit mijn slaap. Daarnaast heb ik grote zorgen over de ondermijning van onze rechtsstaat, zowel in Nederland als in vele landen om ons heen. Ik voel me een bevoorrecht mens dat ik mij in mijn nieuwe rol bij de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak mag inspannen voor de kwaliteit van onze rechtspraak en daarmee, indirecter maar ontegenzeggelijk, van onze rechtsstaat. En dat ik de ruimte van het bestuur van de NVvR krijg om mij daarnaast, in mijn privétijd, te blijven inzetten voor Recht voor Klimaat. Zo besteed ik mijn energie, tijd en aandacht aan zaken die er voor mij toe doen. Zowel bij de NVvR als bij Recht voor Klimaat geldt dat ik me omringd voel door een professionele setting van zeer gedreven, slimme, getalenteerde en leuke mensen. En gelukkig staat de rechtspraak niet bekend om zijn grote vervuiling, want anders had ik deze stap nooit gezet.

Auteur